Het leven van Pi – Yann Martel

het leven van pi 1       het leven van pi 2

Vervolg:

Ik sloot mijn ogen. Op die manier hoorde ik nog wel het gejengel van kleine kinderen, en hun ouders die met luide stem hun kroost in toom probeerden te houden, maar ik werd tenminste niet meer geteisterd door de bijbehorende beelden. Het bankje waarop ik zat bevond zich in Toronto. Meerbepaald de dierentuin van Toronto. Ik kon me niet meer herinneren hoe ik hier terechtgekomen was, ik wist alleen dat ik die ochtend was opgestaan met iets wat later een vlaag van zelfkwelling bleek te zijn. Alles daartussen was als een soort waas in mijn gedachten. Terwijl ik meestal toch vrij scherp van geest was, mijmerde ik bij mezelf. Ik stond op en haalde een chocoladereep uit mijn achterzak; enkel wie ooit honger (échte honger) heeft gehad, kan de noodzaak begrijpen om altijd iets te eten op zak te hebben. Terwijl ik door het park slenterde, zonder echt te weten waar ik heenging, bekroop me een gevoel van ongemak. Het was me al lang duidelijk dat deze dierentuin vooral gericht was op het binnenhalen van geld: de kooien waren te klein, en de bezoekers konden veel te dicht bij de dieren komen, dicht genoeg om hen snoep en andere rommel te voederen. De enige zwakke poging om hen daarvan te weerhouden was een bordje met te kleine letters, en te laag bij de grond om op te vallen. Zoals ook mijn vader wist: de gevaarlijkste dieren in de dierentuin waren niet de bewoners. Ik werd hier neerslachtiger met de seconde, maar weerstond de aandrang om zo hard mogelijk naar huis te rennen. In de bijna 6 jaar die ik al in Canada doorgebracht, was ik immers altijd in een grote boog om iedere dierentuin heen gelopen. Tot vandaag dus. En ik had er nu al spijt van.

Opeens bleef ik echter stokstijf staan. Elk geluid om me heen verdween, en het enige wat ik nog zag was de enorme tijger, die me recht in de ogen keek. Het beest lag loom achter zijn hek, maar toch ging er een enorme dreiging van hem uit. Ik voelde al het bloed uit mijn gezicht wegtrekken, en een moment lang werd ik overspoeld door een golf van herinneringen. Maar ik vermande me en zette een stap dichterbij. Ik had vele grenzen overschreden sinds ik 6 jaar geleden uit India vertrok, maar die ene stap leek langer dan alle afstanden die ik ooit had moeten afleggen. Nog een stap. Nog eentje. Ik stond nu op minder dan een meter afstand van de kooi, naast een jongetje van een jaar of 6 dat de hand van zijn vader omklemde. “Papa, zijn tijgers gevaarlijk?” vroeg het kind. De angst in zijn stem was duidelijk hoorbaar. “Nee hoor jongen, deze doet heus niets,” stelde de man zijn zoontje gerust. Mijn hoofd draaide zich naar de zijkant. “Wees maar zeker dat hij gevaarlijk is,” zei ik. Mijn stem klonk luider dan ik gedacht had. “Hij bijt zo je hoofd eraf als hij daar zin in heeft.” Het kind zette grote ogen op, en zijn vader fronste zijn wenkbrauwen. “Maar hoe moet ik dan mijn zusje beschermen?” zei de jongen met trillende stem. Ik dacht even na, stak toen zonder iets te zeggen mijn hand in mijn zak en legde iets in de hand van de jongen. Met verwondering in zijn ogen keek hij naar het oranje fluitje in zijn handpalm. Het voelde bijna alsof ik hem een deel van mezelf had gegeven, en ik moest mezelf ervan weerhouden om het meteen weer uit zijn handje te grissen. Dat fluitje had de laatste 6 jaar mijn jaszak niet verlaten, maar ik besefte dat dit het juiste moment was om het los te laten. “Kan je hiermee een tijger temmen? Dat moet ik aan mama laten zien!” riep het kind uit, alvorens weg te stuiteren met het fluitje in zijn hand. De vader bleef achter, en glimlachte naar me. “Bedankt, man. Ik dacht even dat je hem de schrik van je leven zou bezorgen,” zei hij voor hij naar zijn vrouw en kinderen terugkeerde. Ik glimlachte terug. Een trieste glimlach. “Angst is beter dan naïviteit,” zei ik nog, denkend aan een lammetje dat lang geleden het leven had gelaten.

Ik vestigde mijn aandacht weer op de tijger, die zijn belangstelling in mij inmiddels verloren was, en naar de andere kant van zijn verblijfplaats was geslenterd. Zijn vacht was dik en glanzend, net als die van Richard Parker in het begin was geweest. Niemand had Richard Parker ooit teruggevonden, en ik was er vast van overtuigd dat hij nooit meer gezien zou worden. En dat was goed zo. Het zijn wrede dieren, dacht ik bij mezelf. Bijna net zo wreed als mensen. Maar toch had een tijger, misschien wel verre familie van het exemplaar voor mijn neus, mijn leven gered. Richard Parker had mijn leven gered.

Ik weet niet hoe lang ik daar al stond, weggezonken in mijn eigen gedachten en herinneringen, toen ik iemands blik in mijn rug voelde priemen. Even later kwam ze naast me staan. “Prachtige dieren…” mompelde ze, en ik wist niet zeker of die woorden wel aan mij gericht waren. Maar ik wist wel dat ik ze niet kon ontkennen. De tijger was inderdaad prachtig, hoe hij daar in zijn volle glorie achter het hek stond. “Ja,” zei ik, “Prachtig.” Later, thuis, kon ik wel honderd dingen bedenken om nog tegen haar te zeggen, maar op dat moment stokte ieder woord in mijn keel. “Mijn naam is Meena,” zei ze, en ik bad tot God, Allah en Vishnu om een mirakel, hoewel ik wist dat ik er lang geleden al eentje gekregen had.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s